Hoofdstuk 8 — Het Atelier van Isabeau
Delacourt stond in de deuropening alsof hij daar altijd al had gehoord.
Zijn linnen pak was nog steeds smetteloos, wat Lavendel onmiddellijk wantrouwde. Niemand kon door rozemarijn, stof, ruïnes en geheimen lopen zonder minstens één takje in zijn sok of een vlek op zijn mouw te krijgen. Een man die schoon bleef in een avontuur, had waarschijnlijk anderen het vuile werk laten doen.
Achter hem stonden twee brede mannen met gezichten waarop weinig fantasie te lezen viel. De een had armen als wijnvaten, de ander een nek die rechtstreeks uit zijn schouders leek te groeien. Ze droegen geen wandelstokken, geen kunstboeken, geen charme.
Alleen dreiging.
Balthazar stond buiten in de smalle straat met zijn oren plat naar achteren. Zijn strohoed was half afgezakt, maar dat maakte hem niet minder indrukwekkend. Hij schraapte met zijn hoef over de stenen.
Kras.
Kras.
Kras.
Markie Von Zeist hield de brief stevig vast.
Zijn naam stond erop.
Dat was onmogelijk.
En toch stond hij er.
Markie Von Zeist.
De letters waren oud, sierlijk en onmiskenbaar met de hand geschreven. De inkt was verbleekt, maar de naam sneed door de ruimte alsof iemand hem net had uitgesproken.
Lavendel keek naar Markie. Zijn gezicht was strak, zijn lichtblauwe ogen hard, maar onder die strengheid zag ze iets anders.
Niet angst.
Erger.
Herkenning zonder herinnering.
Delacourt glimlachte.
“Een fascinerend moment,” zei hij. “Ik zou bijna niet willen storen.”
“Dan stel ik voor dat u onmiddellijk vertrekt,” zei Markie.
“Bijna,” herhaalde Delacourt.
Lady Alcina stond tussen hem en de kist. Haar grote zwarte hoed wierp een donkere schaduw over haar gezicht. Haar paarse lippen glimlachten niet meer.
“Je bent ver gegaan, Armand.”
“Niet ver genoeg, blijkbaar. Anders had ik de kist eerder gevonden.”
Lavendel legde haar hand op het deksel van de kist. Onder haar vingers voelde ze het hout heel zacht trillen.
Of misschien trilde zijzelf.
“Dit is niet van jou,” zei ze.
Delacourt keek haar aan alsof ze een charmant maar onpraktisch meubelstuk was.
“Madame Lavendel, bezit is een kwestie van bewijs. En bewijs is meestal in handen van degene die het slimst handelt.”
Markie stapte naar voren. “Dat klinkt als iets wat een dief zegt vlak voordat hij een contract laat opstellen.”
“U onderschat de juridische elegantie van verzamelen.”
“Ik onderschat vooral uw moraal.”
De twee mannen achter Delacourt bewogen.
Niet veel.
Genoeg.
Balthazar balkte luid. Het geluid kaatste tussen de oude muren van Saint-Véran en rolde over het verlaten plein.
Lavendel voelde het in haar borst.
Een waarschuwing.
Een oproep.
Misschien zelfs een strijdkreet.
Delacourt tikte met zijn zilveren wandelstok op de stenen.
“Laten we geen scène maken.”
“Te laat,” zei Lavendel. “We staan in een verlaten atelier met een geheime kist, een wakker schilderij, een gestolen sleutel en een boze ezel. Dit ís een scène.”
Heel even kneep Markie zijn lippen samen.
Bijna een glimlach.
Delacourt zuchtte. “Geef mij de kist. U mag de brief houden.”
Markie keek naar de envelop in zijn hand.
“Wat weet u van deze brief?”
“Genoeg om te weten dat hij u zal verwarren.”
“Dat is geen antwoord.”
“Nee,” zei Delacourt. “Dat is onderhandeling.”
Lady Alcina deed een stap naar voren. “Je krijgt niets.”
Delacourt keek naar haar. Zijn blik werd scherper.
“Alcina, Alcina. Nog altijd spelend voor beschermengel. Heeft je moeder je nooit verteld wat er gebeurt met mensen die tussen een verzamelaar en zijn meesterwerk gaan staan?”
“Jawel,” zei Lady Alcina. “Ze verliezen hun smaak.”
Lavendel had, ondanks alles, bijna willen lachen.
Maar op dat moment bewoog het opgerolde doek opnieuw.
Niet veel.
Een rimpeling onder het linnen.
Alsof er onder het oude textiel een ademhaling zat.
Iedereen zag het.
Zelfs Delacourt.
Zijn ogen begonnen te glanzen.
“Daar is het,” fluisterde hij.
Niet hebzuchtig.
Niet alleen.
Bijna verliefd.
En dat maakte hem gevaarlijker.
Markie brak de stilte.
“Lavendel.”
Zijn stem was laag.
Zij keek hem aan.
Hij bewoog zijn ogen heel kort naar links.
Naar de oude tafel.
Daar lagen penselen, potten pigment, een gebarsten karaf, stukken houtskool, een flesje lijnolie en een kom met iets dat ooit waarschijnlijk water was geweest, maar nu meer weg had van een filosofisch probleem.
Lavendel begreep het niet meteen.
Toen zag ze de losse plank naast de tafel.
En daarachter: een smalle opening in de muur.
Niet groot genoeg voor Markie.
Niet groot genoeg voor Alcina.
Maar misschien wel voor haar.
Of voor de kist?
Nee.
Te smal.
Voor het doek?
Misschien.
Delacourt merkte haar blik op.
“Geen domme dingen,” zei hij vriendelijk.
Lavendel glimlachte.
“Daar ben ik helaas niet goed in.”
Toen schopte Balthazar buiten met volle kracht tegen een stapel losse stenen.
De stenen stortten met een oorverdovend geraas de smalle straat in.
Stof vloog op.
Een van Delacourts mannen draaide zich om.
De ander stapte naar voren.
Lady Alcina greep de fles rode wijn uit de ezeltas bij de deur, trok de kurk eruit met haar tanden en gooide de inhoud met een sierlijke beweging recht in het gezicht van de breedste man.
Hij brulde.
“Dat,” zei ze koel, “was een uitstekende jaargang. Verspild aan een slechte neus.”
Markie greep de kist.
Lavendel trok het deksel open, pakte het opgerolde doek en duwde het tegen haar borst. Het voelde warm. Onmogelijk warm.
Delacourt riep iets.
Een hand greep naar haar jas.
Ze draaide weg, maar struikelde over een oude kruk. Markie ving haar met één arm, terwijl hij met de andere de lege kist tegen de scheen van Delacourts tweede man ramde.
De man vloekte.
“Rennen,” zei Markie.
“Waarheen?”
“Weg. Dat is voorlopig precies genoeg.”
Lavendel rende naar de opening achter de tafel.
“Daar!”
“Dat is geen uitgang,” zei Markie.
“Dat weten we pas als we erin vastzitten.”
“Je definitie van onderzoek is zorgwekkend.”
Lady Alcina pakte een handvol oud pigment van de tafel en blies het in Delacourts richting. Een wolk diep paars poeder vulde het atelier.
Delacourt hoestte, vloekte en zwaaide met zijn wandelstok.
“Pak ze!”
Lavendel duwde het opgerolde doek door de smalle opening. Daarna kroop ze erachteraan. Haar baret bleef even haken aan een uitstekende steen.
“Mijn baret!”
Markie trok hem los en duwde hem haar achterna.
“Prioriteiten, Lavendel!”
“Stijl ís een prioriteit!”
Lady Alcina ging als laatste. Dat leek onmogelijk met haar hoed, haar elegantie en haar algemene neiging om niet te kruipen, maar ze deed het met een waardigheid die alleen zij kon bezitten.
Markie kroop achter haar aan, mopperend.
“Dit is niet hoe volwassen mensen met kunst omgaan.”
Achter hen klonk Delacourts stem.
“De doorgang! Snel!”
Toen balkte Balthazar opnieuw.
Daarna volgde een doffe klap, een mannenkreet en het geluid van iets zwaars dat in een wijnkist viel.
Lavendel fluisterde in de nauwe doorgang: “Ik hoop dat hij niemand ernstig verwondt.”
Markie zei: “Ik hoop dat hij mikte.”
De doorgang achter het atelier liep omlaag.
Niet als een trap, maar als een oude afvoer of verborgen gang, uitgehakt tussen rotsen en wortels. Het was donker en rook naar aarde, vocht en gedroogde lavendel. Lavendel kroop eerst, het doek onder één arm. Het linnen schuurde tegen haar jas.
Af en toe voelde ze iets.
Niet beweging.
Meer een trilling.
Alsof het doek reageerde op haar adem.
“Gaat het?” vroeg Markie achter haar.
“Ja.”
“Lieg je?”
“Een beetje.”
“Dan gaat het redelijk.”
Lady Alcina’s stem klonk achter hem. “Blijf vooruitgaan. Deze gang komt uit bij de oude persplaats.”
“U wist van deze gang?” vroeg Markie.
“Nee.”
“Maar u weet waar hij uitkomt?”
“Ik vermoed het.”
“Dat is opnieuw geen geruststellend verschil.”
Lavendel kroop verder. Haar knieën deden pijn. Haar handen zaten onder stof en oude aarde. Een spinnenweb plakte aan haar wang, waar toch al paarse verf zat, en ze besloot dat ze later zou beweren dat het bij haar artistieke proces hoorde.
Toen werd de gang breder.
Ze konden staan.
Voor hen schemerde licht.
Avondlicht.
Lavendel stapte naar buiten en hapte naar adem.
Ze stonden op een terras onder de ruïne, tussen oude stenen bakken en houten balken die ooit deel waren geweest van een wijnpers. De helling liep steil naar beneden naar de lavendelvelden. Ver onder hen lag het pad terug naar het dal, als een bleke draad in het landschap.
De zon was bijna verdwenen.
De hemel kleurde roze, goud en diep violet.
Normaal zou Lavendel haar schetsboek hebben gepakt.
Nu hield ze alleen het doek vast.
Markie kwam naast haar staan, gevolgd door Lady Alcina. Zijn haar zat vol stof. Op zijn donkere polo zat een veeg paarse pigment. Hij keek ernaar.
“Geweldig,” zei hij droog. “Nu hoor ik officieel bij het schilderij.”
Lavendel glimlachte, maar haar glimlach verdween toen ze het doek voelde.
Het werd warmer.
“Markie…”
Hij keek naar haar handen.
Het linnen rond het doek begon langzaam los te raken. Niet omdat zij het losmaakte, maar alsof de knoop zichzelf ontspande.
Lady Alcina fluisterde: “Leg het neer.”
“Hier?”
“Nu.”
Lavendel legde het voorzichtig op een platte steen van de oude persplaats.
De drie bogen zich eroverheen.
Het touwtje viel los.
Het linnen rolde open.
Daaronder verscheen het schilderij.
Maar niet volledig.
Het was een groot doek, inderdaad. Ooit moest het indrukwekkend zijn geweest. Nu ontbraken stukken aan de randen. Eén hoek was donker verbrand. Een deel van het midden was leeg, niet wit maar onafgemaakt: ruwe ondergrond, lichte lijnen, een belofte zonder invulling.
Toch was wat er wél op stond adembenemend.
Een Provençaals landschap bij schemering.
Lavendelvelden die leken te golven.
Wijnranken als donkere aderen door de aarde.
Een fontein.
Een blauwe deur.
Een vrouw met een zwarte hoed.
Een ezel met strohoed.
En twee figuren op de voorgrond.
Een vrouw met een baret en verf op haar wang.
Een oudere man met zilverwit haar en een ernstig gezicht.
Lavendel bracht haar hand naar haar mond.
Markie zei niets.
Zijn blik bleef hangen op de geschilderde versie van zichzelf.
Maar het was niet exact hij.
De man op het schilderij leek op Markie, maar jonger in de ogen en ouder in de ziel. Alsof Isabeau niet zijn gezicht had geschilderd, maar iets achter zijn gezicht.
Onder het schilderij stond een titel.
La Lumière Inachevée
Het Onvoltooide Licht
Lady Alcina’s stem brak bijna.
“Mijn moeder zei dat het bestond. Maar ze had het nooit gezien.”
Lavendel keek naar haar. “Wie was je moeder?”
Alcina zweeg.
Markie draaide zich langzaam naar haar. “Dat lijkt me een uitstekend moment om eindelijk iets uit te leggen.”
De wind trok aan Lady Alcina’s hoed.
Ze nam hem af.
Voor het eerst zagen ze haar gezicht zonder schaduw.
Ze leek jonger en ouder tegelijk. Mooi, trots, maar met verdriet in de lijnen rond haar ogen.
“Mijn moeder was Élise,” zei ze. “De dochter van Isabeau Pourpre.”
Lavendel ademde zacht in.
“Dan ben jij…”
“De kleindochter van Isabeau.”
Markie kneep zijn ogen samen. “En dat vertel je ons nu pas?”
“Ik moest zeker weten dat jullie het schilderij niet zouden verkopen.”
“Wij lopen met een ezel en koekjes door ruïnes,” zei Markie. “Zien wij eruit als een veilinghuis?”
Lady Alcina glimlachte flauwtjes. “Nee. Maar vertrouwen is een dure wijn. Je opent hem niet zomaar.”
Lavendel keek naar het schilderij.
“Waarom staat Markies naam op die brief?”
Lady Alcina keek naar hem.
“Dat weet ik niet.”
Markie hield de envelop omhoog.
“Dan wordt het tijd dat we lezen.”
Hij brak het oude zegel voorzichtig open.
Zijn vingers trilden nauwelijks, maar Lavendel zag het toch.
Markie haalde de brief eruit.
Het papier kraakte.
Hij las zwijgend de eerste regels.
Zijn gezicht veranderde.
Niet veel.
Maar genoeg.
“Lees hardop,” zei Lavendel zacht.
Markie slikte.
Toen las hij:
Aan Markie Von Zeist,
Als deze brief u bereikt, is de tijd niet langer rechtlijnig geweest. Dat klinkt krankzinnig, en misschien is het dat ook. Maar een kunstenares leert kijken naar wat anderen overslaan: licht dat terugvalt, schaduwen die vooruitlopen, gezichten die nog niet geboren zijn.
Markie stopte.
“Dit is onmogelijk.”
Lavendel legde haar hand op zijn arm.
“Ga door.”
Hij haalde adem en las verder.
Ik heb u gezien voordat u kwam. Niet in dromen, maar in verf. U stond naast haar — de vrouw met lavendel in haar naam en stormlicht in haar handen. U keek alsof u alles wantrouwde, vooral wonderen. Dat stelde mij gerust.
Lavendel keek even naar Markie.
“Dat is wel raak.”
“Niet helpen,” mompelde hij.
Hij las verder.
Het schilderij is niet af omdat het niet door mij afgemaakt kan worden. Ik schilderde het begin, maar het licht behoort aan een ander. Aan haar. Misschien begrijpt zij dit nog niet. Misschien zal zij lachen, twijfelen, morsen met wijn en toch precies de juiste kleur vinden.
Lavendel fluisterde: “Morsen met wijn is geen voorspelling. Dat is observatie.”
Markies stem werd zachter.
Maar u, Markie Von Zeist, moet haar tegenhouden wanneer zij te snel wil zijn, en volgen wanneer zij gelijk heeft. Dat zal u ergeren. Vertrouw daarop.
Lady Alcina keek naar hem.
“Zelfs Isabeau kende je al.”
Markie las verder, langzamer.
Er is iemand die het doek zal willen bezitten. Hij zal spreken over bescherming, waarde en nalatenschap. Geloof hem niet. Een schilderij dat opgesloten wordt, sterft in stilte.
Het Onvoltooide Licht is geen bezit. Het is een deur.
Lavendel keek naar het doek.
De geschilderde blauwe deur leek donkerder te worden in de vallende avond.
Markie las de laatste regels.
Wanneer de laatste kleur wordt gevonden, zal zichtbaar worden wat verborgen bleef onder wijn, lavendel en bloed. Zoek de kleur die geen naam heeft in het oog van Balthazar.
Markie zweeg.
De wind ging liggen.
Lavendel draaide langzaam haar hoofd naar de ezel.
Balthazar was er niet.
“Waar is hij?” vroeg ze.
Markie keek om zich heen. “Hij was achter ons.”
Lady Alcina liep naar de rand van het terras.
“Daar.”
Beneden, op het pad tussen de lavendel, liep Balthazar.
Niet weg.
Vooruit.
En achter hem, vanuit de ruïne, kwamen Delacourt en zijn mannen tevoorschijn.
Delacourt had iets in zijn hand.
De lege kist.
Hij keek omhoog naar het terras.
Zelfs op afstand zagen ze zijn glimlach verdwijnen toen hij begreep dat de kist leeg was.
Daarna keek hij naar Balthazar.
En Balthazar keek terug.
Heel even leek de ezel groter dan hij was.
Zijn strohoed stond scheef. Zijn doek vol verfspatten wapperde in de avondwind. Aan zijn tassen rinkelden flessen en penselen alsof hij een kleine karavaan van chaos leidde.
Toen zette hij het op een lopen.
Recht de lavendelvelden in.
Delacourt schreeuwde naar zijn mannen.
“Pak dat dier!”
Markie staarde naar beneden.
“Waarom gaat iedereen er tegenwoordig van uit dat de ezel het antwoord heeft?”
Lavendel rolde het schilderij voorzichtig weer op.
“Omdat hij dat waarschijnlijk heeft.”
Lady Alcina zette haar hoed terug op.
“Dan moeten wij hem vóór Delacourt vinden.”
Markie vouwde de brief op en stak hem in zijn borstzak.
“Uitstekend. We achtervolgen een ezel omdat een overleden kunstenares mijn naam kende en beweert dat er een kleur zonder naam in zijn oog zit.”
Lavendel keek hem aan.
“Je moet toegeven: als hoofdstuk is het sterk.”
“Als leven is het vermoeiend.”
Ze glimlachte en pakte zijn hand.
“Kom.”
Samen renden ze het oude wijnterras af, de schemering in.
Voor hen golfde de lavendel als een paarse zee.
Ergens daarin rende Balthazar.
Achter hem Delacourt.
En boven alles verscheen de eerste ster aan de Provençaalse hemel, helder en zilver, alsof iemand daarboven alvast een klein stipje verf had gezet op een nog onvoltooid doek.