Lena

Op woensdagmiddag stond Milo in mijn keuken met een zwarte Braphone, een kleine schroevendraaier en een blik dat ik inmiddels begon te herkennen.

Het was zijn blik voor een idee.

Dat was geen geruststellend blik.

“Je woont echt boven een wasserette,” zei hij.

“Dat weet ik.”

“Dat is praktisch.”

“Waarom?”

“Als een prototype misgaat, hoef je niet ver te lopen.”

Ik legde twee mokken op tafel.

“Je mag geen prototypes wassen.”

“Dat was maar één keer.”

“En?”

“De muziek klonk verrassend helder.”

“Onder water?”

“Er zat een vertraging in.”

Ik schonk koffie in. Milo had aangeboden om koffie mee te nemen, maar hij had twee blikjes energiedrank uit zijn tas gehaald.

Ik had die direct teruggeduwd.

“Je lichaam is geen testlocatie,” had ik gezegd.

Hij had daar een tijdje over nagedacht.

Toen had hij geantwoord: “Dat zou een goed kaarsetiket zijn.”

Nu zat hij aan mijn keukentafel. Tussen de suikerpot, een stapel etiketten en drie glazen potten met afgekoelde was lagen onderdelen van de Braphone.

Ik had het ding nog nooit zo van dichtbij bekeken.

Zonder de stof en de bandjes zag het er minder uit als lingerie. Meer als een klein technisch project dat per ongeluk een beha was geworden.

“Dus,” zei ik. “Wat gaan we verbeteren?”

Milo keek op.

“Dat je dat zo vraagt, maakt me gelukkig.”

“Het was geen emotionele vraag.”

“Voor mij wel.”

Hij pakte een van de kleine speakers op.

“Dit zijn de nieuwe speakers. Kleiner, lichter en met minder geluid naar buiten. De oude waren goed, maar als je in een stille ruimte zat, kon iemand naast je soms horen wat je luisterde.”

“Dat lijkt me bij sommige podcasts ingewikkeld.”

“Daarom dus.”

“En de visboer?”

“Die was een softwareprobleem.”

“Dat hoop ik.”

Milo legde zijn telefoon tussen ons in. Hij had de app geopend. De nieuwe versie zag er eenvoudiger uit dan de vorige. Er stonden grote knoppen op het scherm.

VERBINDEN.
VOLUME.
UIT.

Meer niet.

“Waar zijn alle andere knoppen?” vroeg ik.

“Weg.”

“Dat is verstandig.”

“Er is nog een instellingenmenu.”

“Met automatische verbinding?”

Hij keek naar zijn koffie.

“Die optie bestaat niet meer.”

“Mooi.”

“Je klinkt trots.”

“Dat ben ik ook. Een beetje.”

Zijn glimlach verscheen meteen.

Hij pakte een vel papier uit zijn tas.

“En ik heb nagedacht over de verpakking.”

“Dat klinkt gevaarlijk.”

“Niet meteen oordelen.”

Hij schoof het papier naar me toe.

Bovenaan stond in grote, ronde letters:

DE BRAPHONE
LUISTER & LIFT

Daaronder stond een tekening van de Braphone. Niet glad en luxe zoals die van Bright & Bold. Gewoon duidelijk. Een bh met een klein muzieksymbool erbij.

Onderaan stond:

Voor muziek, gesprekken en momenten waarop je je handen al vol hebt.

Ik las de zin nog eens.

“Dit heb jij geschreven?”

“Grotendeels.”

“Grotendeels?”

“Mijn moeder zei dat ‘audiotechnologie voor je bovenlichaam’ misschien te technisch was.”

“Je moeder had gelijk.”

“Ze is vandaag vervelend vaak verstandig.”

Ik draaide het vel om.

Op de achterkant stond een korte uitleg. Heldere zinnen. Geen Engelse kreten. Geen lachende vrouw in een sporttop.

“Dit is goed,” zei ik.

Milo leunde naar voren.

“Echt?”

“Ja.”

“Maar?”

“Er moet nog iets bij.”

“Natuurlijk.”

“Niet over techniek. Over waarom iemand hem zou willen.”

“Dat staat er toch? Voor muziek, gesprekken en momenten waarop je je handen al vol hebt.”

“Dat zegt wat hij doet.”

Milo wachtte.

“Niet wat hij oplost.”

Hij trok zijn wenkbrauwen op.

“Maar dat is toch hetzelfde?”

“Nee. Kijk.”

Ik pakte een leeg etiket en een pen.

“Jij denkt vanuit het product. Je hebt speakers, bluetooth, zachte stof. Dat is jouw wereld. Maar een klant denkt misschien: ik wandel elke ochtend met de hond en ik ben altijd mijn oortjes kwijt. Of: ik wil mijn zus bellen terwijl ik de kinderen aankleed. Of: ik lig naast iemand die wil slapen en ik wil nog een luisterboek horen.”

Milo knikte langzaam.

“Dus het gaat niet om de Braphone.”

“Het gaat om wat de Braphone mogelijk maakt.”

Hij keek naar het vel. Daarna naar mij.

“Je bent hier echt goed in.”

Ik voelde mijn schouders iets stijver worden.

Dat gebeurde vanzelf wanneer iemand mijn werk prees. Alsof complimenten altijd ergens een verborgen haakje hadden.

Maar Milo zei het niet zoals Bernard het vroeger zei. Hij zei het niet om daarna iets van me te vragen.

Hij keek gewoon blij.

Dus dwong ik mezelf niet weg te lachen.

“Dank je,” zei ik.

“Graag gedaan.”

“En nu moet je niet doen alsof ik je hele bedrijf ga redden.”

“Dat zou ik nooit doen.”

Ik keek hem aan.

“Oké. Misschien een beetje.”

“Precies.”

Hij grijnsde.

Ik schreef onder zijn zin:

Luister naar wat jij wilt. Terwijl je doet wat moet.

Milo las het.

“Dat is goed.”

“Ja.”

“Echt goed.”

“Je mag stoppen. Anders krijg ik een ego.”

“Lijkt me terecht.”

Hij pakte de pen van me over en schreef eronder:

De Braphone. Luister & Lift.

We keken er allebei naar.

Voor het eerst zag ik niet alleen een rare beha met speakers.

Ik zag een merk.

Een echt merk.

Niet van Bright & Bold.

Van Milo.

Mijn telefoon trilde op het aanrecht.

Een bericht van Noor.

Ben je thuis? Ik ben in de buurt en heb koffie nodig.

Ik keek naar Milo. Hij was bezig met een minuscuul schroefje. Zijn tong stak een beetje uit zijn mond van concentratie.

Ik typte terug:

Ja. Maar ik heb bezoek.

De reactie kwam snel.

Milo-bezoek?

Ik keek naar het scherm.

Daarna naar Milo.

Hij keek op.

“Alles goed?”

“Mijn zus is in de buurt.”

“Leuk.”

“Dat weet je nog niet.”

“Je hebt gelijk.”

Mijn telefoon trilde opnieuw.

Ik kom vijf minuten langs. Ik wil hem zien.

“Ze komt hierheen,” zei ik.

Milo’s handen stopten midden boven de tafel.

“Nu?”

“Ja.”

“Waarom?”

“Omdat ze mijn zus is. Ze heeft geen reden nodig.”

“Maar ik ken haar niet.”

“Dat is voor haar geen probleem.”

Milo keek naar de Braphone-onderdelen op tafel. Naar zijn tas. Naar de energiedrank die half uit zijn jaszak stak.

“Moet ik iets doen?”

“Niet liegen.”

“Dat is een brede opdracht.”

“Dan begin je daar.”

Er werd aangebeld.

Precies drie minuten later.

Noor kwam binnen zonder te wachten tot ik iets kon zeggen. Ze droeg een lange zwarte jas, had nat haar van de regen en hield een papieren zak van een bakker vast.

“Mijn trein had vertraging,” zei ze. “Dus ik heb kaneelbroodjes gekocht. Ik ben een held.”

Toen zag ze Milo.

Ze bleef staan.

Milo stond ook op.

“Hallo,” zei hij.

Noor keek naar mij. Toen naar hem. Daarna naar de tafel.

“Is dat een beha?”

“Met bluetooth,” zei Milo.

Ik sloot mijn ogen.

Noor knikte langzaam.

“Natuurlijk.”

“Hij heet de Braphone,” zei Milo.

“Natuurlijk.”

“Luister & Lift,” voegde hij toe.

Noor keek opnieuw naar mij.

“Lena.”

“Wat?”

“Je hebt een man met een bluetoothbeha in je keuken.”

“Hij is geen man met een bluetoothbeha.”

Milo stak één hand op.

“Dat ben ik op dit moment wel een beetje.”

Noor zette de zak met broodjes op het aanrecht.

“Oké,” zei ze. “Ik vind hem nu al leuk.”

Ik voelde mijn wangen warm worden.

“Dat hoeft niet.”

“Nooit gezegd dat het moest.” Noor liep naar de tafel en pakte de Braphone voorzichtig op. “Werkt dit echt?”

“Ja,” zei Milo. “Deze versie is nog niet helemaal af, maar hij werkt.”

“Kan ik luisteren?”

“Ja.”

Milo pakte zijn telefoon. Hij koppelde de Braphone, zette het volume zacht en drukte op afspelen.

Er klonk muziek.

Niet hard. Niet vervormd. Gewoon helder.

Noor hield een van de cups tegen haar oor. Ze keek verrast op.

“Dit is eigenlijk best goed.”

Milo glom.

“Dank je.”

“En je draagt hem dus gewoon?”

“Dat is wel de bedoeling.”

Noor knikte.

“Handig voor mijn hardlooprondjes.”

Ik keek haar aan.

“Jij rent nooit.”

“Precies. Dan kan ik eindelijk beginnen.”

Milo lachte.

Noor legde de Braphone terug en pakte een kaneelbroodje.

“Dus,” zei ze, met haar mond vol. “Zijn jullie samen?”

“Nee,” zeiden Milo en ik tegelijk.

Noor keek van hem naar mij.

“Dat antwoord kwam verdacht snel.”

“Hij helpt me met een ontwerp,” zei ik.

“Zij helpt mij met alles,” zei Milo tegelijk.

We keken elkaar aan.

Noor glimlachte breed.

“Gezellig.”

“Niet gezellig,” zei ik.

“Zeker wel gezellig,” zei Milo.

Ik draaide mijn hoofd naar hem toe.

Hij leek pas toen te begrijpen wat hij had gezegd.

“Niet dat ik bedoel…” begon hij.

“Laat maar,” zei ik.

Noor pakte nog een broodje.

“Geen zorgen,” zei ze. “Ik ben heel discreet.”

Dat was een leugen. Noor was nooit discreet geweest. Toen we klein waren, had ze aan onze hele familie verteld dat ik verliefd was op de jongen uit groep acht omdat ik zijn gum had geleend.

Ze had het twee jaar later nog op verjaardagen verteld.

“Mam weet het al,” zei ik.

Noor verslikte zich bijna in haar kaneelbroodje.

“Wat weet mam?”

“Dat ik zaterdag kibbeling heb gegeten naast een man.”

Noor keek Milo aan.

“De visboer?”

“Nee,” zei Milo snel.

“Gelukkig,” zei Noor. “Piet is aardig, maar hij ruikt permanent naar garnalen.”

“NOOR.”

“Wat? Ik zeg alleen dat jij beter kunt.”

Milo keek naar zijn handen.

Daarna zei hij: “Dat is eigenlijk best aardig.”

“Zie je?” zei Noor. “Hij begrijpt humor. Houden.”

“Niemand houdt iemand,” zei ik.

Milo keek op.

Noor keek naar mij.

De stilte duurde maar een seconde, maar ik voelde hem veel langer.

Toen pakte ik de lege koffiemokken.

“Wil iemand nog koffie?”

“Ja,” zei Milo.

“Ja,” zei Noor.

“Mooi,” zei ik. “Dan kunnen jullie allebei even stil zijn.”

Terwijl ik koffie inschonk, hoorde ik Noor zacht tegen Milo zeggen:

“Ze vindt je leuk.”

Ik draaide me om.

“Noor.”

Milo keek me aan. Zijn gezicht was rood.

Noor glimlachte alsof ze nergens schuld aan had.

“Wat?” zei ze. “Ik zei alleen dat ze je leuk vindt.”

“Dat hoorde ik.”

“Dan hoef ik het niet te herhalen.”

Milo zei niets.

Ik wilde dat hij iets zei.

Ik wilde vooral dat hij niets zei.

Dat waren twee onhandige wensen om tegelijk te hebben.

Hij nam zijn koffie aan toen ik hem gaf.

“Dank je,” zei hij.

Zijn vingers raakten de mijne.

Heel even.

Noor zag het natuurlijk.

Ze zei niets.

Dat was misschien nog het ergste.

Een halfuur later vertrok ze eindelijk. Bij de deur trok ze haar jas dicht en keek ze me veelbetekenend aan.

“Dinsdagavond eten bij mam,” zei ze.

“Dat weet ik.”

“Neem Milo mee.”

“Nee.”

“Tot dinsdag, Milo.”

Milo gaf haar een kleine, beleefde zwaai.

“Tot dinsdag.”

De deur viel dicht.

In mijn keuken werd het stil.

Milo keek naar de tafel. Naar de Braphone. Naar de kaneelbroodjes.

“Je zus is leuk,” zei hij.

“Ze is een natuurramp.”

“Dat kan tegelijk.”

Ik zuchtte.

“Het spijt me.”

“Waarom?”

“Omdat ze alles zegt wat niet gezegd hoeft te worden.”

Milo keek naar mij.

“Ze had het over dat jij mij leuk vindt.”

“Ja. Dat hoorde ik.”

“Maar ze zei ook dat ik beter kon.”

Ik kneep mijn ogen dicht.

“Dat hoorde ik helaas ook.”

Hij glimlachte voorzichtig.

“Voor wat het waard is: ik vind jou ook leuk.”

Mijn handen stopten boven de tafel.

Hij zei het rustig.

Niet als grap. Niet als een groot gebaar.

Gewoon alsof hij een feit noemde dat er toch al was.

“Ik weet alleen niet,” ging hij verder, “of dat op dit moment handig is om te zeggen.”

“Dat is het niet.”

“Oké.”

“Maar het is ook niet erg.”

Zijn glimlach werd iets warmer.

“Oké.”

We stonden tegenover elkaar in mijn kleine keuken. Buiten viel de regen nog steeds. De radio speelde een nieuw nummer. De was op het fornuis was afgekoeld.

Milo keek naar de Braphone.

“Moeten we verder?” vroeg hij.

Ik volgde zijn blik.

“Ja,” zei ik.

Hij pakte de schroevendraaier.

Ik pakte mijn pen.

En terwijl we samen verder werkten aan zijn vreemde, veel te ambitieuze uitvinding, probeerde ik niet te denken aan wat Noor had gezegd.

Of aan wat Milo had gezegd.

Dat lukte natuurlijk niet.