Hoofdstuk 9 — De Man met de Zilveren Wandelstok

Balthazar rende niet zoals een paard rent.

Een paard rent met sierlijkheid, met spieren, met manen in de wind en een zekere dramatische vanzelfsprekendheid.

Balthazar rende alsof hij diep beledigd was door de zwaartekracht en persoonlijk had besloten haar te negeren.

Zijn strohoed sprong bij elke pas op en neer. De tassen aan zijn flanken bonkten tegen zijn lijf. Wijnflessen rinkelden, penselen staken alle kanten op en ergens uit een zijvak stak nog altijd het laatste stuk stokbrood, dat hij kennelijk voor later had bewaard.

Toch was hij snel.

Veel sneller dan iemand had verwacht.

“Hoe kan die ezel zo hard?” hijgde Markie terwijl hij achter Lavendel aan de helling af rende.

Lavendel hield het opgerolde schilderij stevig tegen zich aan. Haar baret zat wonder boven wonder nog op haar hoofd, al stond hij inmiddels zo scheef dat hij bijna een eigen karakterboog had.

“Hij heeft motivatie!”

“Hij heeft vier benen!”

“Ook dat helpt!”

Lady Alcina liep iets achter hen, maar zelfs rennend behield ze iets theatraals. Haar zwarte hoed bleef perfect zitten, alsof hij bang was haar tegen te spreken. Alleen haar ademhaling verraadde dat ook zij niet volledig boven de menselijke beperkingen stond.

Achter hen klonk geschreeuw.

Delacourt en zijn twee mannen kwamen uit de ruïne naar beneden. De brede mannen renden onhandig over het rotsige pad, maar Delacourt zelf bewoog verrassend soepel. Zijn linnen pak lichtte spookachtig op in de schemering, en zijn zilveren wandelstok tikte niet meer rustig op de stenen.

Nu sloeg hij takken weg.

Hard.

Boos.

“Daar!” riep hij. “Naar het veld! Snijd hem af!”

Lavendel keek naar beneden.

Balthazar had het pad verlaten en rende tussen de lavendelrijen door. De planten sloegen paars en blauw om zijn poten heen. In de avondlucht leek hij soms te verdwijnen, dan weer op te duiken als een ezelvormige gedachte die niemand helemaal kon volgen.

“Hij gaat naar het dal,” zei Alcina.

Markie keek naar haar. “Of naar kaas. Bij hem weet je het nooit.”

Lavendel hield even stil op een stenen richel.

Voor haar golfde de lavendelzee. De zon was verdwenen achter de heuvels, maar de hemel brandde nog na in roze en koper. De eerste sterren kwamen tevoorschijn. De velden lagen vol schaduwen.

En ergens daar middenin bevond zich volgens een dode kunstenares de kleur die geen naam had.

In het oog van Balthazar.

“Wat bedoelde Isabeau daarmee?” fluisterde Lavendel.

Markie kwam naast haar staan, hijgend en zichtbaar ontevreden over het feit dat hij nog leefde in deze omstandigheden.

“Misschien dat we goed in zijn ogen moeten kijken.”

“Dat klinkt te simpel.”

“Dat zou voor de verandering prettig zijn.”

Beneden balkte Balthazar luid.

Niet van angst.

Eerder alsof hij riep: Schiet eens op, amateurs.

Lavendel stopte het schilderij in haar tas, zo goed als dat ging, en trok de riem strak.

“Kom.”

Markie wees naar de donkere velden. “Weet je zeker dat we niet beter eerst een plan maken?”

Lavendel pakte zijn hand.

“Dit ís het plan.”

“Rennen is geen plan.”

“Vanavond wel.”

En ze trokken samen de lavendel in.


De velden waren anders in het donker.

Overdag waren ze mooi, geurig, schilderachtig, gemaakt voor ansichtkaarten en zachte aquarelstreken.

’s Avonds werden ze geheimzinnig.

De rechte rijen lavendel veranderden in diepe paarse gangen. De lucht boven de planten trilde van geur. Elke stap maakte een wolk kruidige zoetheid los. Krekels zongen ergens laag bij de grond. In de verte riep een uil vanuit een cipres, alsof hij zijn mening had over mensen die achter ezels aan renden.

Lavendel voelde takjes langs haar jeans krassen. Haar paarse sneakers verdwenen telkens half in de aarde. Haar jas bleef haken aan de planten en kreeg er nieuwe strepen groen en violet bij.

Markie liep naast haar, nog steeds met de brief in zijn borstzak. Af en toe legde hij onbewust zijn hand erop, alsof hij wilde controleren of zijn eigen naam daar nog steeds op een onmogelijk stuk verleden stond.

Lavendel merkte het.

Maar ze zei niets.

Nog niet.

Lady Alcina kwam dichterbij. Ze had haar rok iets opgetild om sneller te kunnen lopen en zag er daardoor uit als een koningin die zojuist had besloten dat waardigheid best even praktisch mocht zijn.

“Delacourt kent deze velden,” zei ze zacht.

Markie keek over zijn schouder. “Dat is slecht nieuws.”

“Hij kent vooral de hoofdpaden.”

Lavendel glimlachte. “En wij volgen een ezel.”

“Dat is ook slecht nieuws,” zei Markie.

“Niet per se,” zei Alcina. “Balthazar loopt niet willekeurig.”

Op dat moment sloegen ze een verkeerde rij lavendel in en botsten bijna tegen een lage stenen muur.

Markie keek naar Alcina.

“Wilt u die uitspraak herzien?”

Voor ze kon antwoorden, ritselde het links van hen.

Lavendel hield haar adem in.

Tussen de lavendelplanten verscheen een strohoed.

Daaronder twee grote donkere oren.

“Balthazar!” fluisterde ze.

De ezel stond stil in een smalle opening tussen twee velden. Hij keek hen aan. Zijn flanken bewogen snel van het rennen, maar zijn ogen waren helder.

Heel helder.

Bijna glanzend.

Lavendel stapte voorzichtig naar hem toe.

“Lieve schat, wat probeer je ons te vertellen?”

Balthazar draaide zijn hoofd.

In zijn rechteroog ving hij het laatste licht van de hemel.

Lavendel verstijfde.

Ze had veel kleuren gezien in haar leven. Ze had ze gemengd, verpest, herontdekt, opgedroogd zien barsten op oude paletten. Ze kende het paars van lavendel, het rood van wijn, het oker van Provençaalse muren, het blauw van schaduw, het goud van avondlicht.

Maar dit was anders.

In Balthazars oog lag een kleur die niet stil bleef.

Eerst leek hij violet.

Toen bijna zilver.

Daarna groenig blauw, zoals een schaduw onder helder water.

En heel even, toen Balthazar langzaam knipperde, zag Lavendel iets als warm donkerrood licht, niet op het oog maar erin, alsof een klein landschap daar weerspiegeld werd dat niet voor gewone blikken bedoeld was.

“Markie,” fluisterde ze.

“Ik zie het.”

Deze keer zei hij het zonder tegenzin.

Lady Alcina boog zich dichterbij. Haar gezicht verloor alle pose.

“De kleur zonder naam,” zei ze.

Lavendel stak haar hand uit, maar raakte het oog niet aan. Ze hield haar vingers er vlak naast, alsof ze warmte van een vlam voelde.

“Het is geen kleur,” zei ze langzaam. “Het is een menging. Nee… een herinnering aan licht.”

Markie keek haar aan. “Kun je die schilderen?”

Lavendel gaf geen antwoord.

Want ergens diep vanbinnen wist ze het al.

Ja.

Misschien.

Als ze durfde.

Maar voordat ze iets kon zeggen, klonk Delacourts stem vlakbij.

“Prachtig, nietwaar?”

Ze draaiden zich om.

Hij stond aan het uiteinde van de lavendelrij, zijn zilveren wandelstok in zijn hand, zijn witte linnen pak nu eindelijk bevlekt met stof en paars pigment. Zijn twee mannen stonden achter hem, hijgend, minder indrukwekkend dan eerst maar nog steeds breed genoeg om bezorgd over te zijn.

Delacourt glimlachte niet meer charmant.

Zijn glimlach had randen gekregen.

“U ziet het nu ook,” zei hij. “Dan begrijpt u waarom dit niet in handen kan blijven van amateurs.”

Balthazar zette zijn oren plat.

Lavendel ging tussen hem en Delacourt staan.

“Blijf van hem af.”

Delacourt lachte zacht. “Ik ben niet geïnteresseerd in uw ezel als dier, madame. Alleen in wat hij draagt.”

“Hij draagt wijn, tassen en een uitstekend moreel kompas,” zei Markie.

“Hij draagt een optisch geheim,” zei Delacourt. “Isabeau gebruikte hem als levende bewaarplaats. Briljant. Absurd, maar briljant.”

Lady Alcina’s ogen werden smal. “Hoe weet jij dat?”

Delacourt tikte met zijn wandelstok tegen een steen.

“Ik lees meer dan u denkt.”

“Je steelt meer dan je leest.”

“Dat hangt af van de bibliotheek.”

Lavendel voelde Balthazar achter zich bewegen. Niet vluchten. Wachten.

Delacourt keek naar haar tas.

“Het doek is bij u.”

Markie deed een stap naar voren. “En daar blijft het.”

Delacourt zuchtte. “Meneer Von Zeist, u wordt vermoeiend.”

“Dat is wederzijds, maar ik formuleer het beleefder.”

Een van Delacourts mannen zette een stap naar voren.

Balthazar balkte.

Hard.

Zo hard dat de lavendel leek te trillen.

Vanuit het donker verderop klonk plotseling antwoord.

Nog een balk.

En nog een.

Lavendel keek op.

“Was dat…?”

Markie luisterde.

“Dat waren meer ezels.”

Lady Alcina glimlachte heel langzaam.

“De boerderij van old Manon ligt achter de velden. Zij houdt ezels.”

Delacourt keek geïrriteerd om zich heen. “Wat maakt dat uit?”

Uit de duisternis kwamen geluiden.

Hoefstappen.

Veel hoefstappen.

Niet snel, niet sierlijk, maar vastberaden en zwaar beledigd door het late uur.

Toen verschenen ze.

Eén ezel.

Twee.

Vijf.

Acht.

Een hele kleine stoet ezels kwam tussen de lavendelrijen tevoorschijn. Sommige droegen belletjes. Eén had een stuk touw om zijn nek. Een ander had een halve wortel in zijn bek. Ze keken allemaal naar Delacourt met de collectieve minachting van dieren die geen enkel respect hadden voor kunsthandelaren.

Balthazar stapte naar voren.

Zijn strohoed wiebelde.

Hij balkte opnieuw, kort en bevelend.

De ezels verspreidden zich langzaam, maar doelgericht, rondom Delacourt en zijn mannen.

Markie staarde.

“Hij heeft versterking geroepen.”

Lavendel fluisterde: “Balthazar is hun generaal.”

“Ik neem vanaf nu niets meer aan als onmogelijk,” zei Markie.

Delacourt werd bleek van woede.

“Dit is belachelijk.”

“Dat zegt de man die een ezel achtervolgt vanwege een geheime kleur,” zei Lavendel.

Een van de brede mannen werd zenuwachtig toen een kleine grijze ezel aan zijn broekspijp begon te knabbelen.

“Baas…”

“Blijf staan,” siste Delacourt.

Maar de ezels waren niet van plan iemand comfortabel te laten blijven staan.

Ze drongen dichterbij.

Niet agressief genoeg om gevaarlijk te zijn.

Wel irritant genoeg om effectief te zijn.

Eén ezel stak zijn hoofd in de zak van Delacourts linnen jas en trok er een zijden zakdoek uit. Een ander duwde met zijn hoofd tegen de knie van de breedste man. Balthazar liep recht naar Delacourt toe en bleef voor hem staan.

Oog in oog.

Man en ezel.

De stilte was indrukwekkend.

Toen beet Balthazar in de zilveren wandelstok.

Delacourt trok eraan.

Balthazar trok terug.

“Laat los!” snauwde Delacourt.

Balthazar zette zijn hoeven steviger in de aarde.

Markie keek toe met zichtbare waardering.

“Hij onderhandelt beter dan de meeste advocaten.”

Met een plotselinge ruk trok Balthazar de wandelstok uit Delacourts hand. Hij draaide zich om en galoppeerde weg tussen de lavendel, de stok dwars in zijn bek.

De andere ezels begonnen te lopen.

Niet vluchten.

Niet rennen.

Maar verspreiden, duwen, blokkeren, verwarren.

Delacourts mannen struikelden, vloekten en probeerden geen ezels te raken terwijl ze hun evenwicht verloren. Delacourt zelf rende achter Balthazar aan.

“Mijn stok!”

Lavendel greep Markies arm.

“Nu!”

Ze doken de andere kant op, Lady Alcina achter hen aan.


Ze bereikten een laag muurtje aan de rand van het veld en klauterden eroverheen.

Daarachter lag een smalle zandweg die naar een oude schuur leidde. De maan was inmiddels opgekomen, bleek en bijna vol. Zijn licht maakte de wereld zilverblauw.

Lavendel stopte pas bij een amandelboom.

Ze boog voorover, hijgend.

“Ik wil even vastleggen,” zei Markie naast haar, buiten adem, “dat we zojuist zijn gered door een georganiseerde ezelopstand.”

Lavendel knikte. “Ik noteer het later mooier.”

Lady Alcina keek terug naar de lavendelvelden. In de verte klonk nog geschreeuw, gebalk en het gekraak van takken.

“Delacourt zal niet lang opgehouden worden.”

“Maar lang genoeg,” zei Lavendel.

Ze haalde het opgerolde schilderij uit haar tas. Het doek voelde opnieuw warm.

Niet heet.

Levend.

Markie keek naar haar handen.

“Je moet die kleur schilderen.”

Lavendel keek hem aan.

In het maanlicht leek hij ouder dan eerder die dag. Niet zwakker, maar echter. De lijnen in zijn gezicht waren diep, zijn ogen moe en wakker tegelijk.

“Misschien,” zei ze.

“Geen misschien.”

Ze glimlachte klein. “Sinds wanneer ben jij degene die wonderen aanduwt?”

Hij haalde de brief uit zijn borstzak.

“Sinds een dode kunstenares mij schriftelijk heeft opgedragen jou tegen te houden wanneer je te snel wil zijn en te volgen wanneer je gelijk hebt.”

“En welke van de twee is dit?”

Hij keek naar het schilderij.

Toen naar de lavendelvelden waar Balthazar ergens met een gestolen zilveren wandelstok rondliep.

“Ik vrees dat je gelijk hebt.”

Lavendel voelde warmte achter haar ogen, maar knipperde die weg.

Niet nu.

Lady Alcina liep naar de oude schuur.

“We kunnen daar schuilen. Manon bewaart er hooi, oude zadels en soms wijn.”

Markie keek op. “Soms wijn?”

“Ze is Française.”

“Dat verklaart het woord ‘soms’ niet.”

De schuur stond scheef tegen de heuvel, gemaakt van verweerd hout en ruwe steen. Binnen rook het naar hooi, stof, leer en droge kruiden. Door spleten in de planken viel maanlicht naar binnen in dunne strepen.

Lavendel legde het schilderij op een oude werkbank.

Markie zette een lantaarn aan die aan een spijker hing. Het licht flakkerde goud over het doek.

Lady Alcina vond inderdaad wijn.

Een eenvoudige fles rood, verstopt achter een stapel jutezakken.

“Manon heeft smaak,” zei ze.

“Manon heeft noodvoorraden,” zei Markie.

Lavendel rolde het schilderij open.

Daar lag het weer.

La Lumière Inachevée.

Het Onvoltooide Licht.

De onafgemaakte plek in het midden leek in het lantaarnlicht groter dan eerst. Alsof het doek wachtte.

Lavendel pakte haar kleine verfdoos uit haar tas.

Markie zag haar hand aarzelen.

“Bang?”

Ze keek naar hem.

“Ja.”

Hij knikte.

“Goed.”

“Goed?”

“Als je niet bang was, zou ik proberen je tegen te houden.”

Lavendel glimlachte zacht.

Lady Alcina zette de fles wijn op tafel en keek naar het doek.

“De kleur uit Balthazars oog,” zei ze. “Kun je die maken?”

Lavendel opende haar verfdoos.

Paars.

Blauw.

Rood.

Oker.

Groen.

Wit.

Zwart.

Niets leek genoeg.

Ze mengde een beetje violet met zilverachtig grijs. Te koud.

Ze voegde rood toe. Te zwaar.

Een puntje groen. Te modderig.

Ze beet op haar lip.

“Het lukt niet.”

Markie pakte de fles wijn, schonk een klein beetje in een stoffig glas en zette het naast haar neer.

“Ter inspiratie.”

Lavendel keek naar het glas.

De rode wijn ving het lantaarnlicht. Diep robijnrood aan de rand, bijna zwart in het midden, met een gloed die niet rood of paars was, maar iets ertussenin.

Ze keek naar de wijn.

Naar de lavendelbloemetjes die aan haar jas waren blijven hangen.

Naar de paarse verf op haar vingers.

Naar Markies gezicht in het warme licht.

Naar Lady Alcina’s zwarte hoed op de werkbank.

En toen begreep ze iets.

“Het is niet alleen een kleur,” fluisterde ze. “Het is een moment.”

Markie zei niets.

Lavendel pakte een schoon penseel.

Ze doopte het niet meteen in verf.

Eerst raakte ze met de punt een druppel rode wijn aan.

Daarna violet.

Een zweem blauw.

Een bijna onzichtbare stip oker.

Een dun spoor wit.

En ten slotte mengde ze er met haar vingertop een veeg paarse verf doorheen die al op haar huid zat.

De kleur die ontstond was vreemd.

Niet mooi op een gewone manier.

Hij leek diep en licht tegelijk. Warm en koel. Alsof schemering in een druppel was gevangen.

Lady Alcina fluisterde: “Mon Dieu.”

Markie boog dichterbij.

“Dat is hem.”

Lavendel durfde nauwelijks te ademen.

“Denk je?”

“Ik weet het niet,” zei Markie. “Maar ik wantrouw het minder dan de rest.”

“Dat is bij jou bijna enthousiasme.”

Ze hield het penseel boven het onafgemaakte midden van het schilderij.

Het doek leek te wachten.

Niet dwingend.

Maar open.

Alsof het na vijftig jaar eindelijk iemand had gevonden die geen bezit wilde, maar antwoord.

Lavendel zette de eerste streek.

De kleur gleed over het doek.

En het atelierlandschap veranderde.

Niet in de schuur.

Op het schilderij.

De lavendelvelden bewogen.

De blauwe deur op het doek ging een fractie open.

Een lijn licht verscheen achter de geschilderde fontein.

Markie deed een stap achteruit.

Lady Alcina sloeg een hand voor haar mond.

Lavendel zette een tweede streek.

Toen een derde.

De kleur zonder naam vulde het lege midden.

Langzaam verscheen er een vorm.

Eerst alleen licht.

Daarna contouren.

Een gezicht.

Een vrouwengezicht.

Blond haar losjes opgestoken.

Ernstige ogen.

Verf op haar vingers.

Isabeau Pourpre.

Maar ze was niet alleen.

Achter haar stond een man.

Niet Delacourt.

Niet Markie.

Een oudere man met een strohoed in zijn hand.

En naast hem een ezel.

Balthazar.

Of zijn voorvader.

Of allebei.

Onder de penseelstreken verscheen nog iets: een handgeschreven regel in de natte verf, alsof het doek zelf in stilte sprak.

Niet het schilderij werd verborgen. Maar de schuld.

Lavendel liet het penseel zakken.

“De schuld?” fluisterde ze.

Op dat moment kraakte buiten een tak.

Iedereen bevroor.

De deur van de schuur stond op een kier.

In die kier verscheen de zilveren knop van een wandelstok.

Delacourt stapte naar binnen.

Zijn pak was gescheurd. Zijn haar zat vol lavendel. Eén mouw hing scheef. Zijn gezicht was rood van woede.

Maar in zijn hand hield hij weer zijn stok.

Achter hem verscheen Balthazar.

Vrij.

Kalm.

En uiterst tevreden.

Alsof hij Delacourt expres naar hen had geleid.

Markie sloot langzaam zijn ogen.

“Ezel,” zei hij zacht, “ik hoop dat je weet wat je doet.”

Delacourt keek naar het schilderij.

Naar de natte nieuwe kleur.

Naar Isabeau’s gezicht.

Zijn woede verdween.

Daarvoor in de plaats kwam iets veel gevaarlijkers.

Angst.

“Jullie hadden dat niet mogen doen,” fluisterde hij.

Lavendel hield het penseel stevig vast.

“Waarom niet?”

Delacourt slikte.

Voor het eerst die avond leek de man met de zilveren wandelstok niet machtig.

Niet charmant.

Niet zeker.

Alleen maar bang.

“Omdat,” zei hij, “nu iedereen zal zien wat mijn familie heeft gedaan.”