Milo
Donderdagochtend werd ik wakker met twee problemen.
Het eerste probleem was dat ik nog steeds aan Lena dacht.
Het tweede probleem was dat ik een bericht had van Roderick.
Goedemorgen Milo. Ik hoop dat je goed hebt nagedacht over ons voorstel. Vrijdag aan het einde van de dag hoor ik graag van je. Groet, Roderick.
Dat was een beleefde boodschap.
Maar ik hoorde er toch een klok in tikken.
Vrijdag.
Nog één dag.
Ik lag in bed en keek naar het plafond van mijn studio. Boven mij woonde een man die iedere ochtend om zeven uur een stoel versleepte. Ik wist niet waarom. Misschien had hij een heel groot huis en maar één stoel. Misschien bereidde hij zich voor op een toneelstuk waarin hij een ontevreden buurman speelde.
De stoel schoof opnieuw over de vloer.
Ik pakte mijn telefoon.
Onder het bericht van Roderick stond het laatste gesprek met Lena.
Lena: Laat me weten of de nieuwe app werkt.
Ik: Hij werkt.
Lena: Echt?
Ik: Ja.
Lena: Zonder vis.
Ik: Zonder vis. Zonder marktinstallatie. Zonder hoortoestel.
Lena: Ik ben trots op je. Een beetje.
Ik: Dat is het mooiste wat iemand ooit tegen mij heeft gezegd.
Lena: Maak het niet raar.
Ik: Te laat.
Ik glimlachte.
Toen zag ik de tijd.
Half tien.
Ik was om acht uur wakker geworden. Ik had dus anderhalf uur in bed gelegen om naar een plafond te kijken en berichten terug te lezen alsof ik zestien was.
Dat vond ik niet professioneel.
Ik stond op.
In mijn keuken maakte ik koffie die te sterk was. Daarna zette ik de nieuwe Braphone op tafel. De zwarte versie lag er rustig bij. Geen knipperende lampjes. Geen onverwachte verbindingen. Geen visaanbiedingen.
Alleen een beha.
Met speakers.
Dat bleef, als je er heel nuchter naar keek, een bijzonder uitgangspunt.
Ik pakte mijn telefoon en drukte op verbinden.
Het lampje knipperde één keer blauw.
Daarna bleef het rustig branden.
“Verbonden,” zei een zachte stem.
Ik wachtte.
Niets.
Ik zette een luisterboek aan. Een rustige mannenstem begon een verhaal over een vrouw die in een dorp kwam wonen waar iedereen geheimen had.
Het geluid was helder.
Ik liep door mijn studio terwijl ik luisterde. Naar de badkamer. Terug naar de keuken. Ik maakte een boterham. Ik liet bijna een mes vallen omdat ik luisterde naar een spannend stuk. Maar dat lag aan het boek, niet aan de Braphone.
Het werkte.
Niet perfect. Nog niet.
Maar het werkte zoals ik altijd had gewild.
Ik dacht aan de verpakking die Lena had geholpen schrijven.
Luister naar wat jij wilt. Terwijl je doet wat moet.
Dat was beter dan alles wat Bright & Bold had bedacht.
Geen Engels. Geen vrouw die door een park rende alsof ze nooit een huis, werk, kinderen, boodschappen of een rommella had gehad.
Gewoon een zin die klopte.
Mijn telefoon ging.
Dit keer was het mijn moeder.
“Goedemorgen, mam.”
“Je klinkt wakker.”
“Dat ben ik ook.”
“Dat geloof ik pas als je iets hebt gegeten.”
Ik keek naar mijn boterham.
“Ik ben bezig.”
“Met wat?”
“Een boterham.”
“Goed. En met de Braphone?”
Ik ging op een kruk zitten.
“Die werkt beter.”
“Dat klinkt alsof er eerder iets niet werkte.”
“Dat hoeft niet het onderwerp te zijn.”
Mijn moeder humde op een manier die betekende dat zij het absoluut wel het onderwerp vond.
“Bel je omdat je wilt weten hoe het gaat?” vroeg ik.
“Nee,” zei ze. “Ik bel omdat Eva zondag komt eten en zij wil weten of ze de nieuwe versie mag testen.”
“Eva wil altijd gratis spullen testen.”
“Dat klopt. Maar ze is wel je zus.”
“Dat is geen kwaliteitskeurmerk.”
Mijn moeder lachte.
“Kom je zondag ook?”
“Ja.”
“Mooi. En neem Lena mee.”
Ik liet bijna mijn telefoon vallen.
“Wat?”
“Lena. Die kaarsenmevrouw.”
“Ze heet niet kaarsenmevrouw.”
“Dat weet ik. Maar ik plaag je graag.”
“Waarom zou ik haar meenemen?”
“Geen idee. Misschien omdat jullie samen aan die Braphone werken.”
“We werken niet echt samen.”
“Dat klinkt niet alsof jij het gelooft.”
Ik zuchtte.
“Ze heeft haar eigen bedrijf.”
“Dat is juist goed. Dan begrijpt ze waarschijnlijk dat je soms druk bent.”
“Je hebt haar nog nooit ontmoet.”
“Piet heeft haar ontmoet.”
“Piet ontmoet iedereen.”
“En hij zei dat ze verstandig kijkt.”
Ik dacht aan Lena bij Bright & Bold. Aan de manier waarop zij door Rodericks mooie woorden heen luisterde. Aan haar hand op mijn arm, heel even, toen ik dreigde te snel ja te zeggen.
“Dat doet ze,” zei ik.
“Dan nodig je haar toch uit.”
“Dat is vreemd.”
“Waarom?”
“Omdat het zondag is.”
“Precies. Dan eten mensen samen.”
“Mam.”
“Milo.”
Ik kende die toon.
Mijn moeder kon heel lief klinken wanneer ze al had besloten dat iets ging gebeuren.
“Ik vraag haar misschien,” zei ik.
“Goed.”
“Dat is geen belofte.”
“Nee,” zei ze rustig. “Maar wel een begin.”
Toen hing ze op.
Ik bleef met mijn telefoon in mijn hand zitten.
Mijn moeder had gelijk over eten. Dat was irritant, maar waar.
Ze had misschien ook gelijk over Lena.
Dat was nog irritanter.
Tegen twaalf uur stond ik in de garage van mijn moeder.
De linkerhelft van de garage was officieel mijn werkplaats. In werkelijkheid was het een verzameling van kabels, stofstalen, gereedschap, drie kapotte bureaulampen en een oude koelkast die alleen nog dienstdeed als kast voor onderdelen.
Op de muur hing een houten plank die mijn vader ooit had gemaakt.
Hij had hem strak tegen de muur bevestigd, met beugels die veel sterker waren dan nodig. Mijn moeder had daar altijd om gelachen.
“Je vader bouwde voor aardbevingen,” zei ze dan.
Op die plank stonden dozen met labels.
SPEAKERS.
BANDJES.
NIET OPENEN, TENZIJ NODIG.
MILO, ALS JE DIT LEEST: RUIM OP.
Dat laatste had mijn moeder erop geschreven.
Ik pakte de nieuwe verpakking erbij. Nog niet echt een doos, maar een proefdruk op stevig papier. Ik vouwde hem voorzichtig om de Braphone heen.
Het zag er goed uit.
Niet perfect.
Maar wel als iets dat je in een winkel zou kunnen zien zonder dat je meteen dacht: iemand heeft dit gisteravond gemaakt met tape en goede moed.
Mijn telefoon trilde.
Een bericht van Lena.
Heb je tijd om iets te testen? Ik heb misschien een klant.
Ik las het meteen nog een keer.
Een klant.
Niet mijn moeder. Niet Eva. Geen zus die gratis spullen wilde proberen. Geen man met een prei.
Een echte klant.
Ik belde haar.
“Wat bedoel je met misschien een klant?”
“Goedemorgen, Milo.”
“Goedemorgen. Wat bedoel je met misschien een klant?”
Ik hoorde haar glimlach.
“De vrouw van de yogastudio waar ik kaarsen heb afgeleverd. Ze heet Farah. Ze luisterde naar een podcast terwijl ze lesgaf. Nou ja, voordat de les begon.”
“Dat klinkt alsof ze handsfree iets nodig heeft.”
“Dat zei ik ook.”
“Je zei dat?”
“Niet te enthousiast worden.”
“Ik kan niet anders.”
“Ze wil hem vanmiddag proberen. In haar studio. Maar alleen als jij belooft dat er geen marktgeluiden komen.”
“Dat kan ik beloven.”
“Zeker weten?”
Ik keek naar de Braphone op mijn werkbank.
“Voor negenennegentig procent.”
“Milo.”
“Honderd procent.”
“Beter.”
“Hoe laat?”
“Drie uur. En trek iets aan zonder ducttape.”
“Ik heb maar één broek met ducttape.”
“Dat is er één te veel.”
De yogastudio zat in een oud schoolgebouw aan de rand van het centrum. Buiten hing een bord met sierlijke letters.
RUIMTE OM TE ADEMEN
Dat vond ik een mooie naam.
Binnen rook het naar eucalyptus, thee en warme houten vloeren. Er klonk zachte muziek. Niet uit een beha. Gewoon uit een speaker in de hoek.
Lena wachtte bij de balie.
Ze droeg een donkere trui en haar haar zat los. Ik had haar nog niet vaak met los haar gezien. Het veranderde niets aan haar gezicht.
Nou ja.
Het veranderde van alles.
“Milo?” zei ze.
Ik besefte dat ik haar aankeek.
“Ja. Sorry. Ik was even…”
“Verdwaald?”
“Technisch aan het observeren.”
“Mijn haar?”
“De ruimte.”
“Je bent heel slecht in liegen.”
“Dat hoor ik vaker.”
“Van wie?”
“Van jou, meestal.”
Ze nam de tas met de Braphone van me aan.
“Farah komt zo. We doen gewoon rustig.”
“Dat is niet mijn sterkste kant.”
“Dan is dit een mooie oefening.”
Farah kwam uit een zaal achter de balie. Ze was begin veertig, droeg een wijde grijze broek en had een rustige houding die ik meteen benijdde. Sommige mensen leken zelfs stil te staan met goede balans.
“Jij bent Milo,” zei ze.
“Dat klopt.”
“Lena vertelde over je product.”
“Hopelijk alleen de goede dingen.”
Lena keek mij aan.
“Ik heb vooral de waarheid verteld.”
Farah glimlachte.
“Dat is meestal het beste.”
Ze nam de Braphone aan en bekeek hem aandachtig. Ze stelde vragen die ik prettig vond. Over het gewicht. Over opladen. Over wassen. Over de maatvoering.
Geen vraag was dom.
Behalve misschien die over wassen.
“Het elektronische deel kun je eruit halen,” legde ik uit. “Dan kan de bh met de hand gewassen worden.”
“Niet in de wasmachine?” vroeg Farah.
“Nog niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik graag wil dat de Braphone langer meegaat dan één wasbeurt.”
“Verstandig.”
Ze verdween met de Braphone naar een kleine kleedruimte.
Ik keek naar Lena.
“Dat ging goed.”
“Je praatte niet te snel.”
“Dat deed ik wel.”
“Maar minder snel dan anders.”
“Dat neem ik.”
Farah kwam terug. Ze droeg een losse trui over de Braphone, dus er was niets vreemds aan de situatie. Toch voelde ik me ineens heel bewust van het feit dat ik een onbekende vrouw had gevraagd om mijn uitvinding aan te trekken.
“Hij zit comfortabel,” zei Farah.
Mijn hart sloeg een slag over.
“Echt?”
“Ja. Iets steviger bij de bandjes misschien.”
Ik pakte mijn notitieblokje.
“Steviger bij de bandjes. Goed.”
“Maar hij voelt niet zwaar.”
“Dat is goed.”
“En ik hoor de muziek.”
“Dat is ook goed.”
Farah lachte.
“Zal ik hem testen tijdens mijn wandeling? Ik moet over twintig minuten naar de school van mijn dochter. Dan loop ik een stukje.”
“Ja,” zei ik te snel. “Heel graag. Natuurlijk alleen als u wilt.”
“Dat wil ik.”
Lena pakte haar jas.
“Ik loop wel mee.”
Farah keek naar mij.
“Jij ook?”
“Mag dat?”
“Je mag,” zei Lena. “Maar je loopt naast ons. Niet achter haar met je telefoon omhoog.”
“Dat was ik niet van plan.”
“Mooi.”
Buiten was het droog, maar koud. Farah zette via haar eigen telefoon een aflevering van een podcast aan. Ze hield de telefoon in haar jaszak en liep rustig over de stoep.
“Kun je me goed horen?” vroeg ik.
“Ja,” zei ze.
“En hoor je geluid naar buiten?”
Lena liep aan de andere kant van Farah.
“Nauwelijks,” zei ze. “Alleen als je heel dichtbij staat.”
“Dat is uitstekend.”
We liepen verder.
Farah knikte af en toe, blijkbaar luisterend naar haar podcast. Na een minuut drukte ze op het knopje aan de zijkant.
De aflevering stopte.
Ze drukte nog een keer.
De aflevering ging verder.
“Dat is handig,” zei ze. “Met handschoenen aan zou ik dat ook kunnen.”
“Dat is precies de bedoeling.”
“Wat kost hij?”
Ik noemde de prijs die ik al weken in mijn hoofd had.
Niet goedkoop.
Maar ook niet onmogelijk.
Farah dacht even na.
“En als er iets misgaat?”
“Dan kunt u mij bellen.”
Lena keek mij aan.
Ik snapte haar blik.
Dat was niet schaalbaar. Niet professioneel. Niet iets dat Bright & Bold in een brochure zou zetten.
Maar het was wel waar.
Ik wilde dat mensen me konden bellen als er iets misging.
Ik wilde weten wat beter kon.
Farah glimlachte.
“Dan wil ik er een.”
Ik bleef stilstaan.
“Echt?”
“Ja. Deze, als je hem nog kunt afmaken.”
“Ik kan hem afmaken.”
“Dan koop ik hem.”
Lena tikte zacht tegen mijn arm.
“Zeg dank je,” fluisterde ze.
“Dank u wel,” zei ik snel. “Heel erg dank u wel.”
Farah lachte.
“Graag gedaan. Maar ik wil wel één ding weten.”
“Alles.”
“Waarom heet hij de Braphone?”
Ik keek naar Lena.
We hadden die vraag op de markt tientallen keren gehoord. Meestal gaf ik dan een technisch antwoord. Iets over bra en phone. Over luisteren en dragen. Over technologie die dichtbij je blijft.
Maar nu zei ik iets anders.
“Omdat hij begon als een grap,” zei ik. “En omdat sommige grappen best goede ideeën blijken.”
Farah knikte.
“Dat vind ik een prima reden.”
Ze liep verder richting de school.
Lena en ik bleven achter op de stoep.
Ik hield mijn notitieblokje nog steeds vast.
Eén klant.
Een echte klant.
Iemand die niet kocht omdat ze medelijden had. Of omdat ze nieuwsgierig was naar een ramp.
Ze kocht hem omdat ze hem wilde gebruiken.
“Je hebt hem verkocht,” zei Lena.
“Ja.”
“Zonder vis.”
“Zonder vis.”
“Zonder spandoek.”
“Zonder spandoek.”
“Zonder dat je moeder erbij was.”
“Dat is misschien het meest indrukwekkende.”
Ik lachte.
Lena keek me aan. Haar ogen glansden in het bleke middaglicht.
“Je hoeft niet te wachten tot Bright & Bold beslist of dit een goed idee is,” zei ze.
Ik voelde de woorden landen.
Langzaam.
Diep.
Ik keek naar de tas met de Braphone-onderdelen.
Naar mijn notitieblokje.
Naar Lena.
“Misschien niet,” zei ik.
“Misschien?”
“Oké. Niet.”
“Beter.”
Mijn telefoon trilde in mijn jaszak.
Ik wist al wie het was voordat ik keek.
Roderick.
Milo, ik hoop dat we morgen positief kunnen afronden. Ik hoor graag van je.
Ik liet Lena het bericht zien.
Ze las het.
Toen keek ze naar mij.
“Wat wil jij?”
Daar was die vraag weer.
Niet wat mijn moeder wilde. Niet wat Roderick wilde. Niet wat de markt zou doen. Niet wat verstandig klonk op papier.
Wat wilde ik?
Ik dacht aan Farah, die zonder aarzelen had gezegd dat ze er een wilde.
Aan de Braphone in mijn tas.
Aan het ontwerp op Lena’s keukentafel.
Aan de woorden die zij had geschreven.
“Luister naar wat jij wilt. Terwijl je doet wat moet.”
Ik stopte mijn telefoon terug in mijn zak.
“Ik wil vrijdag niet tekenen,” zei ik.
Lena knikte.
“Goed.”
“Maar ik wil wel met hem praten.”
“Ook goed.”
“En ik wil een tegenvoorstel doen.”
Nu glimlachte ze.
“Dat klinkt als een plan.”
“Het is een plan.”
“Voorzichtig, Milo. Straks word je nog iemand die dingen afmaakt.”
Ik keek haar aan.
“Dat probeer ik al een tijd.”
“Ik weet het,” zei ze zacht.
Even waaide de wind door de straat. Een paar droge bladeren schoven over de stoep. In de verte ging een schoolbel.
Lena pakte mijn hand.
Niet per ongeluk.
Niet omdat ze iets van me aannam.
Gewoon omdat ze dat wilde.
Mijn vingers sloten zich om de hare.
“Kom,” zei ze. “We moeten terug. Jij hebt een Braphone te bouwen.”
“En jij?”
“Ik heb etiketten te schrijven.”
“Werk je nog steeds niet met mij samen?”
Ze liet mijn hand pas los toen we weer begonnen te lopen.
“Vandaag,” zei ze, “werk ik toevallig naast je.”