Beschrijving
De Vrouw In De Rode Jas
Proloog
De rode jas
De vrouw in de rode jas stond op het strand en wachtte tot niemand meer naar haar keek.
Dat duurde langer dan ze had gehoopt.
Boven op de duinen liep een man met een hond. Verderop brandde licht in de strandtent, hoewel die eigenlijk gesloten was. Aan de rand van de zee stond een jongen met een hengel. Hij ving niets, maar bleef koppig naar het water kijken.
De vrouw trok haar jas dichter om zich heen.
De wind kwam hard van zee.
Hij joeg zand tegen haar enkels en trok aan de capuchon van haar jas. Het rood was fel, bijna onfatsoenlijk fel in de grijze ochtend. Alsof iemand een stukje zomer op het strand had laten vallen.
Ze keek naar de duinen.
Daar moest ze zijn.
Niet terug naar het dorp. Niet naar de haven. Niet naar het huis met de blauwe luiken waar vroeger een vrouw woonde die te veel wist.
Naar de duinen.
Ze liep verder.
Haar schoenen zakten weg in het natte zand. Achter haar vulden de golven haar voetstappen meteen weer op.
Dat was goed.
Voetstappen konden vragen oproepen.
De zee stelde geen vragen.
Bij de eerste duinovergang bleef ze staan.
Er lag iets in het zand.
Een lantaarn.
Klein. Oud. Van geel glas.
De vrouw knielde neer.
Aan het handvat hing een briefje.
Ze pakte het op.
De tekst was geschreven met zwarte inkt.
JE HAD DOOD MOETEN BLIJVEN.
De vrouw sloot haar ogen.
Toen hoorde ze achter zich een stem.
Rustig.
Dichtbij.
“Daar ben je eindelijk.”




Beoordelingen
Er zijn nog geen beoordelingen.