Beschrijving
Het huis aan de duinrand
Proloog
Het huis aan de duinrand
De Geheimen van Zandwijk — Deel drie
Een Mara Witte-mysterie
Door Sjalotte d’Oignon en Von Zeist
Drie keer kloppen
Het huis aan de duinrand was al twintig jaar leeg.
Dat zei iedereen in Zandwijk.
En in Zandwijk betekende iedereen meestal: mensen die het niet zeker wisten, maar het wel graag wilden geloven.
Het huis stond aan het einde van een zandpad, hoog tussen de duinen. De zee lag erachter. Niet zichtbaar vanaf de weg, maar altijd hoorbaar.
Overdag zag het er verdrietig uit.
’s Nachts zag het er boos uit.
De ramen waren dichtgetimmerd. Klimop groeide langs de muren. De tuin was veranderd in een wirwar van doornstruiken, hoog gras en scheefgezakte beelden die ooit vrolijke tuinkabouters hadden moeten voorstellen.
Niemand kwam er.
Behalve op dinsdagavond.
Dan klopte er iemand op het raam.
Drie keer.
Tik.
Tik.
Tik.
Mevrouw De Graaf, die aan de overkant woonde, had het voor het eerst gehoord in oktober. Ze had gedacht dat het een tak was. Daarna dacht ze dat het een vogel was. Vervolgens had ze besloten dat vogels niet drie keer op een raam klopten en takken al helemaal niet.
Ze had de politie gebeld.
De politie had niets gevonden.
Dat was twee weken geleden.
Nu was het weer dinsdag.
Mevrouw De Graaf zat rechtop in bed.
Naast haar lag haar hond, een oude teckel genaamd Bernard. Bernard snurkte zacht. Hij was veertien, had slechte heupen en een diep wantrouwen tegen postbodes.
Buiten waaide de wind.
Regen tikte tegen het slaapkamerraam.
Mevrouw De Graaf keek naar de wekker.
02.17 uur.
“Kom op,” fluisterde ze. “Niet weer.”
Bernard deed één oog open.
Toen klonk het.
Tik.
Tik.
Tik.
Bernard begon te grommen.
Mevrouw De Graaf gooide het dekbed van zich af.
“Ja, ik hoor het ook,” zei ze. “Je hoeft niet te doen alsof jij de buurt bewaakt.”
Ze liep naar het raam.
Het huis aan de duinrand lag aan de overkant van het zandpad. Alleen de bovenste verdieping was zichtbaar tussen de duinen.
Alles was donker.
Mevrouw De Graaf kneep haar ogen samen.
Toen zag ze licht.
Achter een van de dichtgetimmerde ramen brandde een kleine, gele lamp.
Ze hield haar adem in.
“Bernard,” zei ze.
De teckel kwam naast haar staan. Of beter gezegd: hij probeerde dat. Zijn voorpoten kwamen op de vensterbank. Zijn achterpoten bleven op de vloer.
Hij keek naar buiten.
Toen blafte hij.
Niet hard.
Eerder beledigd.
Mevrouw De Graaf zag een schaduw langs het raam bewegen.
Een vrouw.
Lang haar.
Smalle schouders.
Ze stond aan de binnenkant van het huis.
Heel stil.
Toen klopte ze opnieuw.
Tik.
Tik.
Tik.
Mevrouw De Graaf greep haar telefoon.
Ze belde het nummer dat inspecteur Smit haar had gegeven.
“Met De Graaf,” fluisterde ze zodra iemand opnam. “Het gebeurt weer.”
Aan de andere kant klonk een slaperige, maar meteen alerte stem.
“Wat gebeurt er, mevrouw De Graaf?”
“Het kloppen. Bij dat huis. En er brandt licht.”
“Blijft u binnen. Raak niets aan. Ik stuur iemand.”
“Er staat een vrouw achter het raam.”
“Hebt u haar gezicht gezien?”
“Nee. Ze kijkt naar beneden.”
“Blijf bij het raam vandaan.”
Mevrouw De Graaf keek naar de vrouw.
Toen veranderde de schaduw.
De vrouw draaide haar hoofd.
Heel langzaam.
Alsof ze wist dat iemand haar bekeek.
Mevrouw De Graaf liet haar telefoon bijna vallen.
Het raam van het oude huis was dichtgetimmerd.
Met dikke planken.
Toch zag ze een gezicht tussen de kieren.
Bleek.
Dun.
En met een donkere vlek op de wang.
De vrouw legde één hand tegen het raam.
In haar andere hand hield ze iets vast.
Een rode sleutel.
Toen ging het licht uit.
Mevrouw De Graaf bleef naar het donkere huis staren.
Bernard gromde zacht.
“Ze is weg,” fluisterde ze.
Op dat moment klonk beneden bij haar voordeur een geluid.
Niet buiten.
Binnen.
Tik.
Tik.
Tik.




Beoordelingen
Er zijn nog geen beoordelingen.